Interculture Franse grammatica en communicatie taaltrainer 3 cd’s

€39.95

Crash course basisgrammatica Frans voor beginners en gevorderden
Levertijd 1-4 werkdagen
3 audio CD’s | 2013 (1e druk) | 3 uur en 40 minuten training
Volledige teksten PDF | audio boek (zelfstudie)
ISBN 978-90-79522-04-0
Prijs € 39,95 (€ 13.32 per CD)

Gratis verzending in Europa (brievenbuspost)

Meer info

Niet in voorraad

Deze zelfstudiecursus grammatica is voor iedereen die Frans wil leren, voor beginners en gevorderden, voor uw werk of vrije tijd. U leert zelf zonder docent snel de basisgrammatica en werkwoorden die u nodig hebt voor u gesprekken met Franstaligen. Hierna maak u geen gênante fouten meer en begrijpt u de Fransen stukken beter en zij jou! Ook komt u een stuk professioneler over en hebt u na deze opfriscursus uw uitspraak verbeterd. De oefeningen zijn speciaal door ons ontwikkelde communicatie drills, uit talenstudieonderzoek blijkt dat u op deze manier het snelst automatiseert en het meest onthoudt.
U hoort eerst een voorbeeld van de oefening, u geeft in de spreekpauze het Franse antwoord, daarna hoor u van de native speaker de correctie en de juiste uitspraak.

Snelle opfriscursus basisgrammatica met direct resultaat voor thuis of onderweg.

Voor inhoud zie tabblad ‘Extra informatie’

Meer informatie AUDIO-CD 1 MODULE 1 (1 uur 20 minuten)

Het lidwoord. [2-10]

A. Maak van un, une ? le, la, l’?
B. Maak van des ? les?
C. Maak van du, de la, de l’, des ? de, d’
D. Antwoord bevestigend met beaucoup.
E. Antwoord ontkennend met seulement peu.
F. Antwoord ontkennend met ne … pas (1)
G. Antwoord ontkennend met ne … pas (2)
H. Maak zinnen en kies uit: du, de la, de l’, des.
I. Maak zinnen en kies uit au, à la, à l’, aux.


Het zelfstandig naamwoord. [11-12]
A. Zet in het meervoud: le, la l’ ? les … s/x
B. Zet in het meervoud: un, une ? des … s/x

Het bijvoeglijk naamwoord. [13-18]
A. Zet het bijvoeglijk nw. voor het zelfstandig nw.
B. Zet het bijvoeglijk nw. achter het zelfstandig nw.
C. Pas de vorm van het bijv. nw. aan bij het zelfst. nw. (ev.).
D. Pas de vorm van het bijv. nw. aan bij het zelfst. nw. (mv.).?
E. Zet het bijv. nw. vóór het zelfst. nw. (beau, nouveau, vieux).
F. Zet het bijv. nw. in de overtreffende trap. (le/la/les plus).

Het bijwoord. [19-20]
A. Maak van een bijvoeglijk nw. een bijwoord.
B. Oefen bijzondere vormen van het bijwoord.

De vragende voornaamwoorden. [21-25]
A. Stel een vraag die begint met Qui ? (Wie?)
B. Begin je vraag met een vorm van Quel ? (Welke, Wat?)?
C. Stel een vraag en begin met Qu’est-ce qui ? (Wat?)
D. Begin met Qu’est-ce que ? Qu’est-ce qu’ ? (Wat?)?
E. Begin met De quoi est-ce que ? A quoi est-ce que ? (Waaraan/Waarover/Waarvoor?)

De betrekkelijke voornaamwoorden. [26-27]
Combineer de zinnen d.m.v. een bijzin die begint met qui.?
Combineer de zinnen d.m.v. een bijzin die begint met que, qu’.

AUDIO-CD 2 MODULE 2 (1 uur 20 minuten)
De betrekkelijke voornaamwoorden [2-4]
A. Maak zinnen met een vorm van lequel+ voorzetsel.?
B. Maak zinnen en gebruik dont (de + betrekkelijk vnw.).?
C. Maak zinnen en gebruik où van plaats, tijd (waar/-van/-op).

7. De aanwijzende voornaamwoorden. [5-8]
A. Beantwoord en gebruik een vorm van ce (dit/deze).
B. Maak zinnen met plus … que (meer … dan)?
C. Antwoord nu met moins … que (minder … dan).
D. Maak zinnen met celui-ci en celui-là (deze/dit (hier), die/dat (daar)).

8. De persoonlijke voornaamwoorden. [9-16]
A. Vervang het onderwerp door il of elle ev.?
B. Vervang het onderwerp door il of elle mv.?
C. Beantwoord de vraag en vervang het lijdend vw. door le of la.?
D. Beantwoord de vraag en vervang het lijdend vw. door les.?
E. Vervang meewerkend vw. door lui of leur (hem/haar, hun/hen).?
F. Gebruik me, te, nous of vous in je antwoord.
G. Beantwoord de vraag en gebruik moi, toi, nous of vous.?
H. Gebruik lui, elle, eux, elles (hem/haar, hen).

9. De bijwoordelijke voornaamwoorden. [17-18]
A. Vervang in je antwoord het zelfst. nw. (+de) door “en”.
B. Vervang in je antwoord het zelfst. nw. door “y” (er).

10. De bezittelijke voornaamwoorden. [19-21]
A. Gebruik son, sa, ses, leur, leurs (zijn/haar/hun).
B. Mon, ma, ton, ta, notre, votre (mijn/jouw/ons/uw/jullie).?
C. Mes, tes, nos, vos (mijn/jouw/onze/uw/jullie).

11. Het Franse woordje tout. [22]
A. Combineer een vorm van tout met het zelfst. nw. (al/alle, (ge)heel, ieder/elk/alle, enig)

12. De vragende zin. [23-26]
A. Spreek de zin uit als een vraag.?
B. Maak vragen met est-ce que/qu’.?
C. Keer onderwerp en persoonsvorm om in je vraag.?
D. Maak een vraag met een vraagwoord.

13. De ontkenning. [27-28]
A. Beantwoord ontkennend met ne … pas (niet).
B. Gebruik ne … personne/rien/plus/nulle part/jamais/aucun (niemand/niets/niet/geen … meer/ nergens/nooit/geen enkele).

AUDIO-CD 3 MODULE 3 (1 uur 20 minuten)
Franse werkwoorden trainen in heden verleden toekomende tijd.

Franse werkwoorden eindigend op -er [1-8]
Aimer > chanter
Charger > emballer
Entrer > grêler
Habiter > manger
Mener > placer
Plonger > se renseigner
Répéter > utiliser

Franse werkwoorden eindigend op -re [9-13]
Apprendre > connaître
Convaincre > éteindre
Entendre > lire
Mettre > rendre
Répondre > vivre

Franse werkwoorden eindigend op -ir [14-17]
Accueillir > couvrir
Découvrir > obéir
Obtenir > réussir
Savoir > vouloir